1 In de gemeente die in Antiochië was, waren profeten en leraren: Barnabas, Simeon die Niger genoemd werd, Lucius van Cyrene, Manaën, die samen met Herodes de viervorst was opgegroeid, en Saulus. 2 Terwijl zij de Heer dienden en vastten, zei de Heilige Geest: “Zonder voor Mij Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb.” 3 Toen vastten en baden zij, legden hun de handen op en lieten hen vertrekken.