3 Spreek tot heel de vergadering van Israël en zeg: op de tiende dag van deze maand moet ieder gezin een lam nemen, één lam per familie, een lam per huishouden. 4 En als het huishouden te klein is voor een heel lam, dan moet hij het samen met zijn naaste buurman nemen, rekening houdend met het aantal personen; naar ieders eetlust moeten jullie het lam verdelen. 5 Jullie lam moet volkomen gaaf zijn, een eenjarig mannetje; jullie moeten het nemen uit de schapen of uit de geiten.