16 Toen riep Eli Samuel en zei: “Samuel, mijn zoon.” En hij zei: “Hier ben ik.” 17 Toen zei hij: “Wat is dat woord dat Jehovah tot jou gesproken heeft? Verberg het niet voor mij, alsjeblieft. God zal zo met jou doen, en nog meer, als je iets voor mij verbergt van alles wat Hij tot je gesproken heeft.” 18 Toen vertelde Samuel hem alles en verborg niets voor hem. En hij zei: “Het is Jehovah; laat Hem doen wat goed is in Zijn ogen.”