9 En hij droomde nog een andere droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: “Kijk, ik heb weer een droom gehad. En zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.” 10 En hij vertelde het aan zijn vader en aan zijn broers. Toen berispte zijn vader hem en zei tegen hem: “Wat is dat voor droom die je gedroomd hebt? Zouden ik, je moeder en je broers werkelijk komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?” 11 En zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bleef over deze woorden nadenken.