7 Toen zei zijn zuster tegen de dochter van de farao: Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen, zodat zij het kind voor u kan zogen? 8 En de dochter van de farao zei tegen haar: Ga. En het meisje ging en riep de moeder van het kind. 9 En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het kind en zoog het.