2 En de farao was boos op zijn twee hovelingen: op de hoofdkelner en op de hoofdbakker. 3 En hij zette hen gevangen in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Jozef gevangen zat. 4 En de bevelhebber van de lijfwacht stelde Jozef over hen, en hij diende bij hen; en zij bleven enige tijd in de gevangenis. 5 En zij droomden allebei een droom, ieder zijn droom in één nacht, ieder naar de verklaring van zijn droom, de kelner en de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis waren. 6 En Jozef kwam in de morgen bij hen en zag hen, en zie, zij waren bedroefd. 7 En hij vroeg aan de farao’s hovelingen die bij hem in de gevangenis waren, in het huis van zijn heer, zeggende: Waarom zien jullie er vandaag zo bedroefd uit? 8 En zij zeiden tegen hem: Wij hebben gedroomd en er is niemand die het kan verklaren. En Jozef zei tot hen: Komt de uitleg niet van God? Vertel het me alsjeblieft.