5 En ander zaad viel op rotsachtige grond, waar het niet veel aarde had; het schoot meteen op, omdat het geen diepe aarde had. 6 Maar toen de zon opkwam, verschroeide het, en omdat het geen wortel had, verdorde het. 7 En ander zaad viel tussen de doorns, en de doorns groeiden op en verstikten het, zodat het geen vrucht droeg.