10 Jezus zei: “Laat de mensen gaan zitten.” Er was daar veel gras. De mannen gingen zitten, het waren ongeveer vijfduizend. 11 Jezus nam de broden, dankte God en deelde ze uit aan de mensen die zaten. Zo deelde Hij ook van de vissen uit, zoveel als ze wilden. 12 Toen iedereen genoeg had gegeten, zei Hij tegen zijn discipelen: “Verzamel de stukken die zijn overgebleven, zodat er niets verloren gaat.” 13 Ze verzamelden alles en vulden twaalf manden met stukken brood die overgebleven waren van de vijf gerstebroden, nadat iedereen had gegeten.