Zijn ogen – hoe ze twinkelden! Zijn kuiltjes: hoe vrolijk,
Zijn wangen waren als rozen, zijn neus als een kers;
Zijn grappige mondje was getrokken als een boog,
En de baard op zijn kin was zo wit als de sneeuw;
Het stompje van een pijp hield hij stevig tussen zijn tanden,
En de rook kringelde om zijn hoofd als een krans.
Hij had een breed gezicht en een klein rond buikje
Dat schudde als hij lachte, als een kom vol gelei:
Hij was mollig en dik, een echt vrolijke oude kabouter,
En ik moest lachen toen ik hem zag, of ik nu wilde of niet;