Laat alle deelnemers bij elkaar zitten en kies daarna een scheidsrechter. De scheidsrechter kiest dan een groepje van 3–4 kinderen die iets herkenbaars met elkaar gemeen hebben. Bijvoorbeeld: ze dragen allemaal gele sokken, of ze hebben allemaal een beugel, of al hun namen beginnen met de letter “C”. De overige mensen in de groep proberen dan te raden wat ze gemeen hebben en waarom zij bij elkaar horen.